TEKST ELLA VERMEULEN
Het is verrukkelijk om na een dag werken thuis te komen in een schoon huis. Gestoft, gedweild, briefje op tafel dat de dikbleek op is. En de groetjes. Ze bestaan, dit soort parels. In alle maten, kleuren, gezindten en leeftijden. Je kunt ze je sleutel toevertrouwen, ze doen hun ding en ze vullen ongevraagd ook het waterbakje van de poes nog even bij voor ze vertrekken. Dit zijn de Witte Raven onder de huishoudelijke hulpen.
Tegenover hen staan de werksters die louter de loop stofzuigen en nooit de stofvlokken achter de bank meenemen. Of opeens alleen nog zuigen en niet meer dweilen. Of de helft van het huis overslaan 'omdat ze geen tijd genoeg hadden' terwijl je toch Marie Kondo-minimalistisch woont. Zo'n hulp die zo vaak iets breekt dat je vermoedt dat ze in je woonkamer honkbalt in plaats van stoft. Die met de Franse slag een beetje poetst, maar ook een uur in je bad ligt en 'rugpijn' claimt als je haar betrapt. Of een heel bijzonder type dat gerust drie uur stukslaat aan het schoonmaken van één ding en daardoor geen tijd heeft voor de rest.
"Ik heb er eentje gehad die de oven elke week wilde schoonmaken," zegt Noor (58). "Het was een obsessie. Ik vond het veel belangrijker dat ze stofzuigde, maar ik kreeg haar niet zo ver dat ze dat óók deed. Ze had smetvrees, dat leek in eerste instantie een ideaal trekje voor een hulp, maar in de praktijk kwam ze nooit verder dan die oven. Ze was heel aardig, ze bedoelde het goed en ik vond het zielig om haar te ontslaan. Ik heb zeker drie maanden met vuil huis en een blinkende oven gezeten. Uiteindelijk heb ik maar gezegd dat ik het weer zelf ging doen, ik was te laf om te zeggen dat ze niet voldeed."
Het is iets calvinistisch dat diep in de Nederlandse vrouw zit: wie een werkster heeft, is een lui wijf. Je huis schoonhouden is iets dat je zelf doet, iets waar je eigenwaarde aan ontleent. Het is een instelling die stamt uit de tijd dat vrouwen nog maar zelden buitenshuis werkten. "Ik ben de eerste in de familie die een werkster heeft," zegt Ingeborg (48). "Ik werkte als jonge twintiger met zelfverzekerde vrouwen voor wie dat de normaalste zaak van de wereld was. Een inspirerend voorbeeld. Al snel had ik ook een hulp in de huishouding, drie uur per week. Ik zie nog de afkeurende blikken van mijn oma ('Zo'n jonge meid als jij doet dat toch gewoon zelf?') en mijn moeder ('Doe maar duur'). Ik werk fulltime en heb een man die bij voorkeur niets in het huishouden doet. Ik ben blij dat ik iemand kan betalen voor het schoonmaken. Tegelijk geneer ik me nog altijd dat iemand anders moet voorkomen dat wij niet vervuilen. Het voelt alsof ik tekortschiet."
Het is die ongemakkelijke verhouding die de communicatie met de werkster tot een stevige uitdaging kan maken. "Ik heb maandenlang twee werksters gehad," zegt Renske (52). "De eerste poetste heel slecht, maar had een rotleven. Een nare man, een ontspoorde zoon, noem maar op. Ik had soms het gevoel dat haar uren bij mij het leukste in haar week waren. Omdat ik óók een schoon huis wilde, nam ik een tweede werkster en dronk ik vooral koffie met de eerste. Het was dat de slechtste werkster vanwege toenemende mantelzorg aangaf dat ze niet meer kon komen, anders zou ik vermoedelijk nog altijd met twee werksters zitten. Hoe zeg je tegen zo iemand dat ze niet meer hoeft te komen?"
Ook vaak een dingetje: opruimen voor de werkster, zodat die kan werken. "De avond voor ze komt, ben ik zeker twee uur aan het poetsen en opruimen uit angst dat ze me een viespeuk vindt," zegt Ilse (55). "Ik durf haar ook niet te vragen of ze bepaalde dingen wil doen. Het rare is dat ik er geen enkele moeite mee heb om een loodgieter of klusser aan het werk te zetten, maar dat ik weerloos sta tegenover de hulp. Wat er in de praktijk op neerkomt dat ik niet alleen vóór ze komt schoonmaak, maar ook als ze is geweest. Want dan zie ik kattenharen op de witte tegels van het toilet, omdat ze voor alles hetzelfde doekje gebruikt. Ik heb stapels schone doekjes op voorraad, ik leg ze opzichtig klaar op het aanrecht, ik heb al honderd keer gezegd dat ze gerust nieuwe doekjes mag pakken. 'Nee meid, het gaat best zo,' is dan het antwoord. En dan heb ik niet het lef om te zeggen: 'Ik vind het niet zo hygiënisch, pak maar gewoon een nieuw doekje voor en na de wc."
En dan werkt Ilse's hulp op haar manier tenminste nog, er zijn ook werksters die er liever de kantjes vanaf lopen. "Ik werk aan huis, dus de afspraak is dat ik me terugtrek in mijn kantoor als zij aan het werk is," zegt Annemarie (52). "Maar ik wil niet onhartelijk doen, dus eerst koffie. Dat loopt altijd vreselijk uit, voor ik het weet zit ze drie kwartier het leed in haar leven te bespreken en dat is tijd die ze niet inhaalt, want ze stopt prompt om twaalf uur. En na anderhalf uur houdt ze pauze, ook alweer met koffie en koek. Ik geef dan hints: 'Ik moet weer eens aan de slag en jij zult ook wel aan het werk willen.' Zij slaat terug met: 'Ik zou best nog een bakje lusten.' En zeg dan maar eens nee. Als ze eindelijk aan het werk gaat, glamt 100% NL door mijn huis. Tegenwoordig ga ik vaak de deur uit, in de hoop dat ze dat wel de volle drie uur werkt. Ik heb wel eens in de auto zitten werken, een straat verderop. Ik weet gewoon niet hoe ik op een aardige manier moet zeggen dat het niet de bedoeling is dat ze van de drie uur een uur koffiedrinkt. Ik ben bang dat ze dan beledigd opstapt en dan ben ik nog verder van huis."
Gemakzucht kent vele gedaanten. "Ik huur huishoudelijke hulp in via een studentenorganisatie," zegt Leonie (61). "In het begin kwam er steeds een ander, dat werkte voor geen meter, want dan was ik steeds een uur kwijt aan uitleggen en opstarten. Nu heb ik er twee die om de beurt komen. De ene is een sneeuwvlokje die een slap handje geeft, vaatdoeken slap uitwringt en die ik heb moeten leren hoe je ramen zeemt. In drie uur komt ze niet verder dan stofzuigen en de badkamer min of meer schoonmaken. Ik voelde me al schuldig dat ik de lat misschien te hoog had gelegd, tot ik haar op de rand van het bad op haar gemak op haar telefoon zag scrollen. Ik snibde: 'Zullen we weer even aan het werk gaan?' en voelde me de grootste frik ooit. De andere kan prima poetsen, maar heeft een smal snoetje en zulke wallen onder haar ogen dat ik boterhammen met Nutella voor haar smeer en haar eigenlijk in bed wil stoppen. Aan de eerste erger ik me gek, om de tweede maak ik me zorgen. In beide gevallen durf ik niet te zeggen dat ze ook even tussen de kussens moeten zuigen uit angst dat ze me een zeikwijf vinden."
De behoefte aardig gevonden te willen worden, in combinatie met de schaarste aan goede schoonmaaksters, is een terugkerend euvel in de moeizame relatie met je poets. "Het is toch degene die de remsporen weg staat te schrobben," zegt Carlien (51). "Het is mijn troep en zij is degene die bereid is het op te ruimen. Er staat zeventien euro per uur zwart tegenover, maar dat valt voor mijn gevoel helemaal weg. Ik vind van mezelf dat ik dankbaar moet zijn en niet moet zeuren. Terwijl ik er toch van baal dat ze zo ruw stofzuigt dat de randen van het bed kaal zijn. Geen stofvlokken onder het bed, dat moet ik haar nageven. Maar zelf zou ik het toch wat voorzichtiger aanpakken. Het punt is dat ik geen zin heb het zelf te doen naast een fulltime baan. Ik vind het ook heel moeilijk een babbeltje met haar te maken, soms leg ik bij haar geld een lijstje met 'suggesties' neer en zorg dat ik weg ben voor ze komt."
Waar iedereen droomt van een propere Volendamse of Staphorster hulp, is de kans groter dat het een buitenlandse wordt. "Ik heb de afgelopen dertig jaar een geweldige Turkse, Russische en Ghanese hulp gehad," zegt Yvonne (52). "Lekkere aanpakkers, nooit gezeik. Nu heb ik een Syrische die steeds uitgebreid wil vertellen dat ze in haar thuisland docent Engels was en dat ze zulke vreselijke dingen heeft meegemaakt. Ik luister en heb met haar te doen, ik begrijp dat schoonmaakwerk onder haar niveau is. Maar voel me ook erg ongemakkelijk bij. En schuldig dat ze door de omstandigheden waar ik ook niets aan kan doen nu mijn werkster is en niet voor de klas staat. Tegelijk betrapt ik mezelf er wel eens op dat ik denk: misschien dat je nu even kunt gaan dweilen? Maar dat durf ik niet hardop te zeggen."
Het ligt gevoelig, de huishoudelijke hulp aansturen. De werkster doet waar jij geen zin en tijd voor hebt. Het is werk met weinig status en ook nog eens fysiek zwaar. Het heeft te maken met dienstbaarheid en ongelijkheid. En het speelt zich af in je privédomein: de werkster heeft vaak een sleutel en weet meestal beter waar je het paarse trommeltje met Earl Grey hebt laten slingeren dan jijzelf.
"Het is eigenlijk een heel onzakelijke relatie, zonder heldere afspraken," zegt Jacqueline (59). "Mijn overoma had vroeger een dienstbode. Ze konden het samen uitstekend vinden, maar ze kenden wel allebei hun rol en hun werk. Mijn overoma werkte niet met smoesjes en verhulde verzoeken, ze maakte duidelijke afspraken met haar Trudy over het verschonen van de bedden en de rest van het huishouden. Geen van beiden hadden daar moeite mee. Het wegvallen van standsverschillen heeft het lastiger gemaakt. Ik merk het aan collega's en vriendinnen, we kunnen niet omgaan met huishoudelijk personeel. Laat je het helemaal los, dan bestaat de kans dat ze Netflixen in plaats van soppen. Zit je er bovenop, dat loopt de hulp al snel gillend weg en ben je nog verder van huis, want zie maar eens een nieuwe te vinden. Dat gevoel heb ik altijd, dat ik blij moet zijn dat ik hulp heb. Ook al stoft ze de schilderijen scheef, schuurt ze krassen in de gootsteen en moet ik zelf de antikalk in de badkamer naspoelen omdat ze dat vindt stinken. "